Odontoglossum ( lees: o-don-too-GLO-sum) zijn epifytische orchideeën uit berggebieden die in Midden-Amerika en in het noorden van Zuid-Amerika op 1500 tot 3000 meter hoogte liggen. Door de odontoglossum te kruisen met andere Amerikaanse soorten als de miltonia, oncidium, cochlioda, brassia en aspasia, zijn er honderden soorten en tientallen hybride geslachten ontstaan. Deze hybriden hebben namen als Vuylstekeara - vernoemd naar de Belg Charles Vuylsteke, één van de pioniers in het kweken van deze hybriden. In de handel worden deze zogenaamde “x Vuylstekeara hybriden” (Burrageara, Colmanara, Wilsonara en Beallara) aangeboden onder de verzamelnaam Cambria.
Wat habitus betreft hebben deze hybriden dicht op elkaar staande, eivormige, zijdelings samengedrukte psuedobulben die één tot drie bladeren dragen, en aan de basis door langwerpige schutbladeren omgeven zijn. Aan de voet van de psuedobulb verschijnen bloeitakken die hoog boven de plant uitkomen, vaak vertakt zijn, over het algemeen rechtop staan of gebogen zijn, en grote, felgekleurde, druk getekende bloemen dragen. De kleuren zijn legio: van alle schakeringen in wit, roze, rood, bordeaux, oranje en geel, met af en toe een paars of groen accent. De bloemtak verschijnt meestal als de psuedobulb bijna volgroeid is.
De meeste odontoglossum-soorten houden, op een enkele uitzondering na, niet van hoge temperaturen. Daardoor zijn de meeste hybride soorten tolerant en geschikt als kamerplant. Tijdens het ontwikkelen van de bloeitak en tijdens de bloei heeft de plant veel water nodig. Na de bloei mag de plant koeler en ook lichter gezet worden, zodat de plant rust krijgt totdat er een nieuwe scheut verschijnt. Tijdens de rustperiode heeft de plant eenmaal in de twee weken water nodig - rijkelijk water, echter zònder meststoffen. Waneer de nieuwe scheut zichtbaar wordt is de rustperiode ten einde, en heeft de plant steeds meer en ook frequenter water nodig. Tenslotte heeft de plant overvloedig water nodig, mét meststoffen. Als meststof voldoet het klassieke kunstmest voor kamerplanten (NPK 20-20-20). Voor de plant na de gietbeurt weer in de sierpot wordt gezet, moet de binnenpot eerst weer goed uitlekken. Als de planten in een te droge omgeving staan, hebben de bladeren de neiging aan elkaar te kleven als een harmonica. Zorg ervoor dat de scheut regelmatig besproeid wordt, maar voorkom dat er water in het hart blijft staat - dit kan zorgen voor hartrot, zeker als de nachttemperatuur sterk daalt. Sproeien gebeurt bij voorkeur dan ook ’s ochtends, zodat de plant kan opdrogen. Eventueel kan overtollig water in het hart van de scheut ook met tissues opgedept worden. De odontoglossum houden van licht, maar ook voor deze planten is direct zonlicht uit den boze. Als graadmeter voor overbelichting krijgt het blad van de odontoglossum een rode tint - zet de plant dan meteen in minder licht. In de zomer staat de plant graag buiten, maar ook dan het liefst in de schaduw met voldoende water.
De odontoglossum-hybriden hebben verschillende bloeiperiodes. Om die reden is er geen periode aan te geven die het meest ideaal is om de planten te verpotten. Als stelregel geldt, dat het beste moment om te verpotten het moment is waneer de nieuwe scheuten tussen de 15 en 20 cm groot zijn, en aan hun basis wortels beginnen te maken. De potgrond dient fijn te zijn en bevat in het optimale geval elementen die niet groter dan 5 mm zijn. Het is niet nodig om grote potten te gebruiken omdat de odontoglossum graag krap in een pot staat. Zorg wel voor voldoende drainagemateriaal onder in de pot.
De odontoglossum-hybriden kunnen gemakkelijk gescheurd worden. Belangrijk is daarbij, dat er minstens drie oude bulben en een nieuwe scheut aan elk deelstuk zitten.